nummer-31-huisnummerplaatje

Hoe taalpatronen doorwerken in nummerbordjes

‘Mevrouw, mag ik u iets vragen?’ Het jongetje stond bedremmeld, met zijn vingers tegen de lippen, op de stoep. Kennelijk stond zijn vader naast hem. Die schatte ik achter in de dertig. Ik stapte van mijn fiets. ‘Natuurlijk, zeg het maar!’ Of ik wist waar huisnummer 31 was. We stonden in de Bossche binnenstad. Nummer 31? Meteen vlogen mijn ogen richting de dichtstbijzijnde voordeur. ‘Da’s nummer zes. Een even nummer. Dus je moet volgens mij aan de overkant zijn.’

Geel bordje

De vader liep wijzend naar een pand aan dezelfde straatkant. ‘Kijk … 31 …’ Hij wees naar een geel bordje tegen de voorgevel. Er stonden allerlei aanduidingen op, waaronder het getal 31.

Toen begreep ik wat ze niet begrepen. Het jongetje sprak Nederlands, maar zijn oorsprong lag elders. Het begrip even en oneven nummers, of de logica van de gemiddelde Nederlandse huisnummering, was voor beiden nog niet duidelijk. En dat zo’n geel plaatje slaat op leidingen onder de grond, dat drong kennelijk niet tot hen door.

Ieder een eigen kader

Ik liep met ze naar het goede huis, groette en fietste verder. Verwonderd realiseerde ik me opnieuw, hoe ongemerkt ik kennis en ervaringen toepas in het dagelijks leven. Omdat ik al decennialang leer en leef in Nederland. Vanuit dat kader bezie ik de wereld. Vader en zoon moeten nog heel wat drempels nemen om zich gemakkelijk te kunnen bewegen in dit land.